stal de meulebossen 2

    Sint Antonius - Zoersel - BelgiŽ

copyright © demeulebossen

jonge hengsten 22
logo fps02
Een tijdje terug vond ik volgende artikel op het www:

Het Friese paard: koudbloed of warmbloed?

Is het Friese paard een warmbloed of een koudbloed? Dit is een zeer vaak gestelde vraag waarbij bijna even dikwijls geen klaar antwoord op volgt, ofwel een nietszeggende ontwijking dat de Fries een warmbloed onder de koudbloeden is, wat de verwarring van de vraagsteller nog vergroot.
Om een duidelijke bepaling te kunnen geven moeten we noodgedwongen terug gaan in de geschiedenis van het paard.
Het huidige moderne paard stamt af van de Eophius. Die was 4-5 tenig en slechts 30 a 40 cm groot.
Het was een bladeter met een daaraan aangepast gebit. Ongeveer 22-25 miljoen jaar geleden (de Mioceen tijd) was de grasontwikkeling aanzienlijk en alle grasetende dieren ondergingen drastische veranderingen.
De belangrijkste verandering, die voor de verdere evolutie bepalend is geweest, was dat de ledematen langer werden en dat er alleen nog op de middelste teen gesteund werd. De twee buitenste tenen werden herleid (geatrofieerd) tot rudimentaire overblijfselen waar we nu nog de restanten van zien, namelijk de 2 griffelbeentjes aan de achterzijde van de pijp en de sesambeentjes. Uit deze soort ontstaan 8 andere soorten Equus waarvan alleen de Equus Ferus het overleeft. De anderen sterven uit tijdens de karige voedselvoorziening in het ijstijdperk. Survival of the fittest! Deze Equus Ferus is het eerste paard, lees
“bijna paard”, dat door de mens wordt gebruikt, in het begin slechts als vleesdier.
Geleidelijk aan begint de mens meer vertrouwd te geraken met dit dier waardoor de evolutie nu veel sneller gaat: door alleen met de grootste en meest gespierde exemplar en te fokken.
Het enige doel was toen de meerproduktie van vlees. Tot 4000 jaar voor Christus werden alleen runderen geschikt geacht als trekdier, maar nu bleek dat het paard twee maal sneller was.
Dat was het signaal om paarden te domesticeren, niet alleen als vleesdier maar ook als lastdier.
De eerste grote domesticatiehaard bevond zich in Zuid-OekraÔne, om zich te verspreiden naar Zuid-Oost Europa.
Rond 2000 v. Chr. verschenen de eerste bereden paarden en vanaf dan splitste het paard zich in twee grote groepen. Een groep in Centraal en klein AziŽ, de kleine pony-achtigen die afkomstig zijn van de Tarpan en van het Przewalskipaard. Zij zijn de voorlopers van de huidge volbloeden.
Een tweede groep ontwikkelde zich in Zuid-Oost Europa tot het hoogbenige lymfatische bospaard.
Hieruit groeiden de zware ruiterij- en wagenpaarden van de Romeinen en zo ook de meer recente trekpaarden.

In de huidige tijd kan men de paarden indelen in 4 grote groepen:

1. De wilde paarden:
Er zijn thans nog 2 soorten wilde paarden nl. de Tarpan en het Przewalskipaard.
De Tarpan is dan nog een terugkruising van Konikpony’s zodat hij nu veel rustiger en handelbaarder is dan oorspronkelijk. Alleen het Przewalskipaard bestaat dus nog in zijn oorspronkelijke vorm en wordt ingezet voor grote grasvlaktes in reservaten te laten begrazen.

2. De volbloeden:
Het begrip volbloed berust op een zeer grote raszuiverheid en drukt steeds een stempel op een gekruiste nakomeling. Bijvoorbeeld in de rassen waar de Arabische volbloed is binnengehaald als rasverbeteraar is al vrij vlug een duidelijk resultaat te zien. Volbloedpaarden zijn bijvoorbeeld de Arabische volbloed (veel ingezet als rasverbeteraar), de Berber (heeft een belangrijk aandeel in het ontstaan van onze Fries) en dan nog de Engelse volbloed (XX of Thoroughbred). De Engelse volbloed is het allereerste voorbeeld van een ras dat kunstmatig is opgebouwd, uitgaande van een heterogene basis werd uiteindelijk een grote homogeniteit en specialisatie bekomen ten gevolge van een meedogenloze selectie op renprestaties in galop.
Sinds 1791 is dit een gesloten populatie. Hier zit wel een beetje verwarring.
De Engelse volbloed wordt vaak gekruist met Arabieren, maar de producten hiervan zijn Angelo-Arabieren en helemaal geen volbloeden meer.

3. De halfbloeden of warmbloeden:
Deze kunnen nog eens onderverdeeld worden in 2 groepen, namelijk in harddravers of halfbloedrenpaarden en in halfbloed niet-renpaarden. De term warmbloed geeft aan dat het paard Oosters bloed in zijn stamboom heeft, voornamelijk door toevoeging van Arabisch bloed. Afhankelijk van de hoeveelheid Arabisch bloed spreekt men van weinig of veel adel. De half- of warmbloedpaarden zijn een overgang tussen volbloeden en koudbloeden: allen zijn kruisingsproducten. De eerste werden vooral aangehouden voor het dragen van leger-ruiters en voor lichte trekkracht en vervolgens voor ontspanningsdoeleinden en sport. In de economisch meest welvarende landen ging de afname van de trekpaardenstapel samen met een toename van de halfbloedpaarden. Thans maken niet-renpaarden halfbloeden het grootste aantal uit van de wereldpaardenstapel, denk maar aan BWP (Belgisch Warmbloedpaard), KWPN (Koninklijk Warmbloedpaardenstamboek Nederland), SF (Selle Francais)….

4. De koudbloeden:
Deze stammen af van het zwaar gebouwde paard dat in de wouden van Midden-Europa leefde. Koudbloedpaarden zijn meestal zware trekpaarden met een specifieke bouw geschikt voor de trekarbeid.

Besluit:

De Fries is dus zeker een warmbloedpaard, het is immers deels afkomstig van Oosters bloed, via de Arabier en de Berber. Het is weliswaar een zware warmbloed, maar zo zijn er meer, denk maar aan de Knapstruper, de Lippizaner, de Kladruber, de Freiberger…
Zelfs op het gebied van morfologie leunt de Fries veel korter aan bij de warmbloeden dan bij de koudbloeden; het gewicht van de gemiddelde Fries ligt zeker onder de 900 kg. In de hals ligt weinig onderhuids vet zoals bij de koudbloeden wel het geval is. De schouderligging is schuiner en de rug en lendenen zijn zeker niet zo kort dat zij ideaal zouden zijn voor de trekarbeid.